Casus
De patiënte is een 51-jarige vrouw met in de voorgeschiedenis een stapedectomie rechts, waarna zij aan dat oor doof is geworden. De avond voor het contact met de huisarts kwam ze met oorpijn thuis van haar werk. Omdat ze zich niet lekker voelde, ging ze vroeg naar bed. Naast de oorpijn had patiënte geen andere klachten. De volgende ochtend vraagt haar vriend een spoedvisite aan bij haar huisarts, omdat ze niet goed wekbaar is. Bij algemeen lichamelijk onderzoek blijkt ze klinisch ziek. Ze braakt verschillende malen en grijpt naar haar hoofd. Ze zegt niets te kunnen horen en ligt scheef gezakt in haar bed. Het lukt haar niet om te gaan zitten. Ze lijkt hier te zwak voor en heeft een slechte rompbalans. Met hulp lukt het haar wel om te gaan zitten, maar als de ondersteuning wegvalt, zakt ze meteen weer onderuit. De temperatuur is 37,4 °C, de nachtkleding is nat van het zweet, RR 140/80, de hartfrequentie is 76 per minuut, regulair zonder bijgeluiden, en de zuurstofsaturatie aan de vinger is 97%. Pulmonaal is beiderzijds vesiculair ademen te horen. Het abdomen is soepel zonder drukpijn, met normale peristaltiek en wisselende tympanie. Aan het linker oor zijn geen afwijkingen te zien, in het rechter zit cerumen. Op de huid zijn geen afwijkingen te zien. Bij het neurologisch onderzoek is de glasgowcomascore E2M5V, met enkele spontane woorden (‘Ik hoor je niet’, ‘Ik wil slapen’). Patiënte is somnolent en opent haar ogen alleen bij een pijnprikkel. Er is geen sprake van nekstijfheid: de tekenen van Kernig en Brudzinski zijn negatief. De pupillen zijn isocoor en symmetrisch. Bij het onderzoek naar oogvolgbewegingen voert ze de opdrachten niet uit. Ze kijkt bij voorkeur naar links, maar bij pijnprikkels kijkt ze wel naar rechts en er is sprake van een nystagmus met snelle fase naar rechts als ze vooruit en naar links kijkt. Het gezichtsveld is niet te beoordelen. Het gelaat is symmetrisch, ze steekt haar tong niet uit op verzoek. Motorisch zijn er geen aanwijzingen voor lateralisatie; ze beweegt beide armen. De sensibiliteit en coördinatie zijn niet te beoordelen. De reflexen zijn symmetrisch opwekbaar, de voetzoolreflexen zijn aan beide zijden plantair.
Gezien bovenstaande bevindingen (somnolent, ziek, braken en klam van het zweet) vermoedde de huisarts dat het ging om een neurologische oorzaak, met in de differentiële diagnose meningitis (er is echter geen sprake van koorts of een meningeale prikkeling), CVA (echter geen hypertensie) of delier bij koorts. Na overleg met de dienstdoende neuroloog stuurde de huisarts patiënte in voor een beoordeling naar de SEH.
In het bloed blijken de ontstekingsparameters en glucose verhoogd (BSE 21 mm, CRP 174 mg/l, glucose 11,1 mmol/l, leukocyten 17,4 x 109/l). De CT-scan van het cerebrum laat geen bloedingen of verse ischemie zien. Wel is er een afwijking aan de rechter gehoorgang te zien, die mogelijk wijst op een cholesteatoom. De kno-arts ziet hier echter geen aanwijzingen voor. Na het verwijderen van een cerumenprop constateert hij wel dat het rechter trommelvlies rood is. In het linker oor ziet hij geen afwijkingen. Het ecg is normaal. De liquorpunctie laat een verhoogde liquordruk, verhoogd eiwitgetal en verhoogd aantal cellen zien, wat wijst op een bacteriële meningitis (liquordruk 44 cm H2O, erytrocyten 384 mm3, granulocyten 19.200 mm3, lymfocyten 384 mm3, monocyten 384 mm3, glucose 5,36 mmol/l, eiwit 2,14 g/l). Patiënte wordt opgenomen met een bacteriële meningitis op basis van chronische otitis media rechts. Ze krijgt cefuroxim, amoxicilline en dexamethason. De liquorkweek laat geen groei zien en de bloedkweken tonen een bètahemolytische streptokok . Na 17 dagen mag ze in goede conditie het ziekenhuis verlaten. In verband met de blijvende gehoorschade beiderzijds krijgt ze een cochleair implantaat. Drie maanden na de plaatsing hoort ze weer 65%.