De onderzoekers verzamelden voor dit onderzoek gegevens over sterftecijfers bij het CBS en selecteerden op basis van de International Classification of Diseases (ICD) de sterfgevallen als gevolg van difterie, pertussis, tetanus, poliomyelitis, mazelen, bof, rubella, varicella en diarree. De vaccinatiegraad werd afgeleid uit gegevens van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en het RIVM. Omdat de overall mortaliteit gedurende de twintigste eeuw sowieso fors daalde, is er in de analyses gekeken naar het mortaliteitspercentage van de vaccineerbare infectieziektes ten opzichte van de totale mortaliteit.
Ten tijde van de invoering van de desbetreffende vaccinaties vonden de auteurs een snelle daling in de mortaliteit voor deze infecties. Mazelen zijn hierop de uitzondering, omdat de mortaliteit als gevolg van mazelen al minimaal was. Een verdere daling was hierdoor niet detecteerbaar. De auteurs berekenden dat er bij kinderen geboren vóór 1992 ongeveer 9000 sterfgevallen zijn voorkomen door de invoering van de rijksvaccinatieprogramma’s.
De auteurs geven aan dat hun resultaten kunnen bijdragen aan een beter geïnformeerde beslissing van ouders om hun kind wel of niet te laten vaccineren. Denkend aan de dagelijkse praktijk vroeg ik mij wel af of een (vermeend) gebrek aan bewijs met betrekking tot de effectiviteit inderdaad een frequente oorzaak is om af te zien van vaccinaties. Is het niet ook vaak (geloofs)overtuiging, dan wel angst voor potentiële bijwerkingen (Guillain-Barré, autisme, narcolepsie)? Hier wordt in het artikel geen aandacht aan besteed. Enfin, in ieder geval zijn met dit onderzoek de voordelen van vaccinatie grondig onderzocht en onderbouwd.
Gijs Elshout