Om te beginnen is het de vraag of de auteurs werkelijk het CCM onderzochten. Dit model omvat belangrijke aspecten voor systematische kwaliteitsverbetering, maar de interventie van Boorsma et al. bevat slechts een paar elementen uit het CCM. En die zijn vooral gericht op de hulpverleners: een uitgebreid, periodiek uitgevoerd assessmentinstrument en periodiek multidisciplinair overleg. Het stimuleren van zelfmanagement, een belangrijk onderdeel van het CCM, en ook het gebruik van een klinisch informatiesysteem zijn bijvoorbeeld niet duidelijk in de interventie terug te vinden. In hoeverre is het mogelijk iets over een model te concluderen dat je maar ten dele toepast?
Nu is het onderzoeken van de effecten van grote modellen altijd lastig, maar de interventie kan realistischer worden samengevat als het regelmatig en grondig in kaart brengen van de problemen van verzorgingshuisbewoners en het stimuleren van goede afstemming tussen de verschillende hulpverleners (met een belangrijke rol voor de verzorgende). Ieder verstandig mens is daar voor. Toch blijkt deze aanpak al moeilijk genoeg: slechts in iets meer dan de helft van de gevallen lukte het om de grondige assessments daadwerkelijk uit te voeren. Voor de bewoners veranderde daarmee overigens niet veel, want de kwaliteit van leven en de ervaren kwaliteit van de zorg verschilden niet tussen de interventie- en controlegroep. Verder kreeg het verzorgingshuis feedback, maar van louter feedback zonder verdere ondersteuning moeten we niet te veel verwachten.
3
Daarnaast is het goed er nog twee bevindingen van Boorsma et al. uit te lichten omdat ik denk dat zij de stelling ondersteunen dat de kwaliteit van zorg veel meer wordt bepaald door het directe contact tussen de verzorgende en de oudere dan door het instellingsbeleid. Ten eerste zijn de positieve effecten vooral te vinden op het gebied van communicatie, gedrag en ADL-afhankelijkheid. Dat zijn belangrijke verbeteringen want de apathische of verwarde oudere die eenzaam in zijn kamer zit is ieders schrikbeeld. Juist op deze gebieden zijn persoonlijke continuïteit, aandacht en een gestructureerde omgeving belangrijk. De vraag is dan ook gerechtvaardigd of dit belangrijke gemeten effect een resultante is van de regelmatige assessment en coördinatie of van de persoonlijke aandacht van de verzorgende die dankzij de interventie even meer tijd en gerichte aandacht voor de bewoner had. Ik denk het laatste.
Ten tweede valt de lage intraclustercoëfficiënt (icc) binnen de instellingen op. De onderzoekers rapporteren deze wel, maar bespreken ze niet in de discussie. Zij hebben terecht zorgvuldig onderzocht of er verschillen in effecten waren tussen de diverse verzorgingshuizen. De icc is hier een maat voor de samenhang van de gemeten effecten binnen de afzonderlijke verzorgingshuizen, gerelateerd aan de effecten binnen de gehele groep.
4 De correlatie binnen de instellingen blijkt bijzonder laag. Ik vermoed dat de auteurs gezien hun analyse een veel hogere icc hadden verwacht, en dat past ook bij een interventie die is gericht op het systeem van de geleverde zorg in de betrokken huizen. Deze bevinding roept de vraag op of het verzorgingshuis als gekozen niveau van de interventie het juiste is.