Recentelijk publiceerden Amerikaanse onderzoekers bevindingen die hopelijk de discussie definitief kunnen beslechten. Bij patiënten met een tweede, derde of vierde episode van erythema migrans namen ze huid- en bloedmonsters. Uit het zo verkregen DNA- en RNA-materiaal van B. burgdorferi keken ze of het ging om een opflakkering van de voorafgaande episode dan wel om een nieuwe infectie. Bij alle patiënten waren de eerdere episodes op de gebruikelijke wijze met antibiotica behandeld.
De resultaten waren opmerkelijk: in alle gevallen kwam het geïsoleerde B. burgdorferi genotype niet overeen met dat van de voorafgaande episode, hetgeen min of meer bewijst dat het steeds gaat om nieuwe besmettingen. Van de theoretische mogelijkheid dat patiënten tijdens de voorafgaande episodes waren besmet met twee B. burgdorferi-types, waarvan door toeval steeds eerst de ene en tijdens het recidief de andere werd geïsoleerd, wordt de kans door de onderzoekers berekend op 0,0000002. Zelfs als wordt aangenomen dat het in eerste instantie steeds ging om besmetting met 5 verschillende genotypes, is de kans dat alle verschillen op toeval berusten nog steeds minder dan 1%.
De conclusie spreekt voor zich: een nieuwe episode van erythema migrans bij een behandelde patiënt dient beschouwd te worden als een nieuwe infectie. En wellicht minstens zo belangrijk: chronische Lyme moet worden beschouwd als een ingebeelde ziekte.
Tjerk Wiersma