Richtlijnen zijn op te vatten als een verzameling van aanbevelingen over diagnostiek en beleid bij een klacht of aandoening. De aanbevelingen berusten zoveel mogelijk op resultaten van wetenschappelijk onderzoek, maar volgen daar nimmer rechtstreeks uit. Om een aanbeveling te kunnen formuleren, dient de wetenschappelijke kennis door de richtlijnmakers gewaardeerd en in context van de dagelijkse praktijk geplaatst te worden.
1 Daarbij letten zij op de onderlinge consistentie en coherentie van de aanbevelingen. Een aanbeveling om bepaalde diagnostiek te doen heeft alleen zin als de uitkomst ervan invloed heeft op de waarschijnlijkheidsdiagnose, de prognose, de therapiekeuze of het besluit te verwijzen. Anders kan deze diagnostiek achterwege worden gelaten. Een voorbeeld daarvan is het beluisteren van de arteria carotis interna bij patiënten met een TIA. Het horen van een souffle maakt een forse stenose die in aanmerking komt voor een endarteriëctomie wat waarschijnlijker, maar daarvoor geenszins bewijzend. Anderzijds sluit de afwezigheid van een souffle een dergelijke stenose onvoldoende uit. Dat is de reden dat in de NHG-Standaard TIA uit 2004 het beluisteren van de arteria carotis niet wordt aanbevolen en het advies is meteen te verwijzen voor een duplexscan ter beoordeling van de doorgankelijkheid van de arterie.
2 In de NHG-Standaard Beroerte, die de NHG-Standaard TIA inmiddels vervangt, komt het beluisteren van de carotiden niet meer ter sprake.
Het advies van de Gezondheidsraad bij een verwonding is dat bij volledig gevaccineerde mensen na meer dan 10 jaar met een eenmalige booster kan worden volstaan. Dit advies berust op de waarneming dat tetanus vrijwel uitsluitend voorkomt bij niet- of onvolledig gevaccineerde mensen, terwijl bij het overgrote merendeel van degenen die het Rijksvaccinatieprogramma hebben doorlopen een beschermende antistoftiter wordt gevonden. Van dit advies is ook een richtlijnvariant voor huisartsen beschikbaar die is te raadplegen via de site van het NHG.
34