In deze H&W bespreekt Maartje Schouten twee onderzoeken naar de waarde van het screeningsinstrument SPUTOVAMO. Ze geeft de huisartsen feitelijk gelijk. Met een positief voorspellende waarde van 0,2%, en bij de verkorte versie van 1,4%, is het duidelijk dat SPUTOVAMO geen meerwaarde heeft bij het ontdekken van kindermishandeling. Het laat zien dat bijna al deze meldingen fout-positief waren, dus dat er geen sprake was van kindermishandeling. SPUTOVAMO blijkt in beide versies geen valide instrument waarmee je kindermishandeling kunt opsporen. De vraag blijft waarom huisartsenposten zo haastig hebben gereageerd op de vraag van IGZ. Niemand ontkent dat het belangrijk is om kindermishandeling op te sporen, integendeel. Hoe onduidelijk de prevalentiecijfers van kindermishandeling ook zijn, het is duidelijk dat kindermishandeling meestal (te) laat wordt vastgesteld. Wie heeft bedacht dat huisartsen dit screeningsinstrument moeten gaan gebruiken heeft maar weinig geleerd van alle implementatielessen.
Bij het invoeren van vernieuwingen moet immers niet alleen gebruik worden gemaakt van wetenschappelijke kennis, maar ook van kennis uit het veld. Bij de ontwikkeling van een screeningsinstrument moet je natuurlijk ook kijken of het aan de tien criteria van Wilson en Jungner voor verantwoorde screening voldoet. Wanneer huisartsen betrokken zouden zijn geweest bij het tot stand komen van het screeningsinstrument zou, denk ik, geconcludeerd zijn dat zo’n instrument nooit voor alle kinderen bruikbaar is.