In een gecontroleerd gerandomiseerd onderzoek in Spanje werden 149 patiënten die vermoedelijk OSAS hadden via de huisarts onderzocht en 153 patiënten bij een slaapcentrum in een academisch ziekenhuis. In de huisartsengroep stelde de huisarts de indicatie voor polygrafie (basisslaapregistratie) of polysomnografie (uitgebreide slaapregistratie met een EEG). De huisarts stelde ook de indicatie voor behandeling met Continuous Positive Airway Pressure (CPAP). De slaapregistraties werden uitgevoerd door een slaapspecialist van een privékliniek. De huisarts en speciaal getrainde doktersassistentes gaven voorlichting over instelling en gebruik van de CPAP en volgden de patiënten bij 1, 3 en 6 maanden. In het slaapcentrum van het academisch ziekenhuis stelde de slaapspecialist de indicaties voor diagnostiek en behandeling.
De evaluatie vond plaats na 3 en 6 maanden met de Epworth Sleepiness Scale (ESS). In de huisartsengroep hadden patiënten met de diagnose OSAS na 6 maanden een afname van 2,49 punten (95%-BI 1,69 tot 3,3) en in de slaapcentrumgroep een afname van 3,11 (95%-BI 2,28 tot 3,94). Het verschil van 1,25 tussen de huisartsengroep en de slaapcentrumgroep paste binnen de voorafgestelde non-inferiority marge van 2 punten, wat betekent dat de behandeling door de huisarts niet minder effectief is dan die door de specialist. In de huisartsengroep kregen wel meer patiënten de diagnose OSAS dan in het slaapcentrum (80,2% versus 70,6%). De kostenbesparing bedroeg € 558,14 per patiënt.
Wellicht kan de Nederlandse huisarts in de toekomst vaker zelf de indicaties voor diagnostiek en behandeling stellen. Scholing en voorzieningen zijn daarbij dan wel noodzakelijk.
Literatuur
- Tarraubella N, et al. Management of obstructive sleep apnoea in a primary care vs sleep unit setting: a randomised controlled trial. Thorax 2018 Jul 31. DOI: 10.1136/thoraxjnl-2017-211237 [Epub ahead of print].